Eén fabriek, 30 nationaliteiten & één voertaal
9 februari 2026
De Canpack Group is één van de meest technologisch geavanceerde verpakkingsproducenten in Europa voor de bier-, frisdrank-, en voedingsmiddelenindustrie. De Canpack-fabriek in Helmond produceert jaarlijks het gigantische volume van ongeveer vier miljard (4.000.000.000) aluminium blikjes voor bier en frisdrank.
In de fabriek van Canpack in Helmond hoor je dagelijks tientallen talen, maar op de werkvloer moet iedereen elkaar wél begrijpen. Want met 128 vrachtwagens vol blikjes die per dag de deur uitgaan, is samenwerken essentieel. Bij Canpack in Helmond kozen ze voor één voertaal: Engels. Samen met STE ontwikkelden ze een taalbeleid en lessenschema. HR-manager Anita Maassen: “De trainingen zijn nog volop gaande, maar we zien nu al wat het oplevert.”
Aan de rand van Helmond vind je Canpack. Een fabriek die onderdeel is van de internationale Canpack Group, met 23 vestigingen wereldwijd. De locatie in Helmond opende in 2017 en werd in rap tempo opgestart met een ervaren team uit Polen. “Een flink aantal van deze Poolse medewerkers bleef uiteindelijk in Helmond werken en via het uitzendbureau kwamen daar medewerkers uit andere landen bij”, vertelt Louis Goudstikker, directeur bij Canpack. “Inmiddels werken er hier dertig verschillende nationaliteiten.”
Toen het personeelsbestand door de jaren heen groeide (naar inmiddels meer dan vijfhonderd medewerkers) ontstond een nieuw vraagstuk: hoe zorg je ervoor dat iedereen elkaar begrijpt? Anita: “Je kunt geen 30 talen spreken. Voor de veiligheid, de samenwerking en de verbinding hebben we toen besloten: we gaan over op Engels. Veel van onze procedures en trainingen komen uit Amerika. Hoe meer Engels hier vanzelfsprekend is, hoe makkelijker we die informatie kunnen gebruiken zonder eerst alles te hoeven vertalen.”
Taalbeleid
Canpack is een van de weinige bedrijven in de regio die een bewust taalbeleid heeft opgesteld. Samen met STE werd in 2022 bepaald welk taalniveau minimaal nodig is voor elke functie. “Voor productie is A2 het minimum, zodat mensen veiligheidsinstructies kunnen lezen en begrijpen”, legt Anita uit. “Voor leidinggevenden ligt die lat voor het taalniveau hoger.” Om dat voor elkaar te krijgen, volgden ruim vijfhonderd medewerkers een intake. Vervolgens werden er, voor de mensen die het nodig hadden, lessen ingepland. Een hele uitdaging, met een vijfploegenrooster. Louis: “De lessen zijn altijd na een ochtenddienst, maar door het wisselende schema zijn vaste lesdagen geen optie. Samen met STE hebben we een planning gemaakt waarbij precies is vastgelegd wie wanneer beschikbaar is. Dat was echt een puzzel.”
Winst
Toen de puzzel gelegd was, stond nog niet iedereen te springen om een taaltraining te volgen. “Als je in een ploeg van veertien Roemenen werkt, voelt het alsof je Engels leert voor die ene collega die geen Roemeens spreekt”, legt Anita uit. “We proberen die ploegen nu ook beter te mixen.” Louis vult aan: “Bovendien is het niet niks om na een vroege dienst langer te blijven om nog een training te volgen, maar gelukkig ziet iedereen het effect inmiddels. Medewerkers die voorheen een collega nodig hadden om iets uit te leggen, komen nu zelf met hun verhaal. Dat is wel echt mooi om te zien.” En voor wie wil, is er zelfs ruimte om naast het Engels ook Nederlands te leren. Anita: “Als het Engels op niveau is, betalen wij de lessen om ook Nederlands te leren. Dit wordt ook verzorgd door STE. Er is inmiddels een groepje gestart.”
De volgende stap
Wat Anita en Louis hopen voor de toekomst? “Dat het hier vanzelfsprekend is om Engels te spreken en dat het niet als een ‘moetje’ voelt. In de productie, maar ook tijdens de lunch of bij het koffieapparaat.”
(bron: FRITS Media magazine ‘Medelanders’, tekst: Djaydee Kraus | foto: René Manders/ DCI)